Over ‘An Institution is not an Island’
We stapten met z'n zessen de ruimte binnen via een kleine, verscholen gang op de tweede verdieping van het Pauli-gebouw van KASK & Conservatorium. Toen we de ‘Malfait’ vergaderzaal binnenkwamen, viel ons eerst de grote vergadertafel in het midden op, met zijn saaie lichte houtlaminaat. Onze blik gleed vervolgens naar de muren met portretten en naar de bustes die er onbewogen voor stonden, hun stilte versterkte de formaliteit van de ruimte. Een reeks mannelijke gezichten – sleutelfiguren in de geschiedenis van de instelling – werd slechts één keer onderbroken door een portret van voormalig decaan Chantal De Smet, recent gemaakt door Anne-Mie Van Kerckhoven.
Deze ruimte, gelegen naast het kantoor van de decaan, is de plek waar administratieve vergaderingen plaatsvinden die rechtstreeks invloed hebben op het heden en de toekomst van KASK & Conservatorium. De ruimte is zowel in ruimtelijk als organisatorisch opzicht centraal gelegen, maar blijft grotendeels onzichtbaar en ontoegankelijk voor personen buiten institutionele structuren, met name studenten. Toen we de kamer binnenkwamen, voelde ze vreemd losgekoppeld van het dagelijkse leven van de school. De portretten vormden een gesloten cirkel van autoriteit, hun blikken gericht naar binnen, waardoor we het gevoel kregen dat er op ons werd neergekeken. Hun opstelling maakte op een stille manier duidelijk wie er wordt herinnerd, wiens belang wordt gevisualiseerd en welke verhalen uitgelicht worden in de geschiedenis van de instelling. Het portret van Chantal De Smet doorbrak dit patroon niet, maar maakte de contouren van de kamer juist nog zichtbaarder.

Als studenten van het postgraduaat curatorial studies werden we in november 2024 door Liene Aerts geïntroduceerd aan deze ruimte. Ze werkte al ruim vijftien jaar bij KASK & Conservatorium en was ervan overtuigd dat dit iets was wat we graag zouden willen zien. We bevonden ons in de beginfase van het bedenken van een project dat de gelaagde geschiedenis van de instelling en de Bijlokesite zou onderzoeken. De Bijloke evolueerde van een verzameling moerassige weides naar een abdij en een ziekenhuis, en biedt nu onderdak aan zeventien verschillende culturele instellingen in Gent. KASK & Conservatorium vindt zijn oorsprong in 1748, toen het door kunstenaar Philippe-Carel Marissal werd opgericht als tekenschool. Marissal wou vanaf het begin ook meisjes toegang geven tot de academie. Het zou echter nog 150 jaar duren, tot 1907, voordat meisjes eindelijk werden toegelaten tot tekenlessen, en pas in 1931 vonden de eerste gemengde schildercursussen plaats. Deze geschiedenis van mannelijke homogenisering reikt verder dan de portretten in de vergaderzaal en strekt zich uit tot de auditoria, klaslokalen en studio's op de campus, die de mannelijke namen dragen van onder andere Gustave Permeke, Frans Masereel, Raoul Servais en Victor Horta.
We werden aangetrokken door het portret van Chantal De Smet, dat zowel opviel door zijn unieke esthetiek als door het feit dat het het enige vrouwelijke portret in de zaal was. Liene vertelde ons dat toen De Smet in 1988 decaan van de academie werd, ze tegelijkertijd de eerste vrouwelijke decaan in het hele hoger kunstonderwijs in Vlaanderen werd. De Smet was bovendien een belangrijke figuur binnen de tweede feministische golf in België en medeoprichter van de Dolle Minas, een socialistisch‑feministische beweging die in 1970 ontstond. Toen we ons verder verdiepten in haar werk en in KASK & Conservatorium als instelling, stuitten we op een geschreven bijdrage aan het tienjarig bestaan van KIOSK — een ruimte voor hedendaagse kunst op de Bijlokesite — waarin De Smet betoogde dat kunst- en onderwijsinstellingen nooit op zichzelf staan; dat "instellingen geen eilanden zijn", maar ingebed zijn in sociale, politieke en culturele ecosystemen, met verantwoordelijkheden die verder reiken dan hun muren.

Verzamelen, onderzoeken, situeren
Ons onderzoeksproces begon met een informele mapping van KASK & Conservatorium. We voelden ons aangetrokken tot ruimtes die over het hoofd leken te worden gezien: zowel architecturaal (bijvoorbeeld de zolder die boven de dagelijkse circulatie hangt, de schuilkelders uit de Tweede Wereldoorlog begraven onder grasheuvels en de resterende tussenruimtes die geen duidelijke functie meer hebben) als metaforisch (blinde vlekken, zoals de ingangen, trappenhuizen en gangen die elke dag talloze keren worden doorkruist maar zelden worden erkend als plaatsen met institutionele betekenis). We bezochten de bibliotheek, de kunstcollectie en het archief van de instelling – met onder meer kunstwerken van de eerste vrouwelijke studenten van de school – en ontmoetten docenten en bibliotheekmedewerkers die hun eigen onderzoek, perspectieven en ervaringen binnen de academie hadden opgebouwd.
Voortbordurend op onze groeiende nieuwsgierigheid begonnen we na te denken over 'marges' en 'centra': niet alleen in hun ruimtelijke manifestaties, maar ook in wat ze onthullen over geschiedenis en toegang. In The Production of Space (1974) stelt Henri Lefebvre dat ruimte nooit neutraal is; ruimtes worden ontworpen, bezet en gecontroleerd, vaak ten gunste van dominante ideologieën. Vertrekkende vanuit dit perspectief, en kijkend naar wat we voor ons hadden, rezen er verschillende vragen binnen onze groep: welke geschiedenissen van KASK & Conservatorium worden zichtbaar gemaakt binnen de huidige infrastructuur, en welke verhalen blijven verborgen, vergeten of uitgewist? Hoe beïnvloedt dit de manier waarop de instelling zichzelf vandaag begrijpt? Als we de instelling beschouwen als soft power en de ruimte als hard power, hoe kunnen we dan beide weer opeisen? Voor wie is een kunstinstelling open en voor wie is ze gesloten?
In het begin voelden we ons enigszins gedesoriënteerd, overweldigd door het diverse potentieel van ons vertrekpunt. Het leek alsof hoe meer onderzoek we deden, hoe meer deuren er opengingen, waardoor we steeds verder leken af te drijven van de kern van het project. Ons onderzoeksproces nam ook onverwachte wendingen: in het begin benaderden we het met een vrij traditionele opvatting van 'onderzoek', waarbij we referenties verzamelden, publicaties en archieven raadpleegden en onszelf in deze context situeerden. Maar gaandeweg werden we ons steeds meer bewust van de beperkingen van deze aanpak – vooral in een context waarin zoveel stemmen niet op de voorgrond treden in de vergaderzaal of in het bredere verhaal van de school: vrouwen, mensen met een niet-West-Europese of migratieachtergrond, queer mensen en mensen met verschillende toegangsbehoeften. Gaandeweg en intentioneel werd ons project een ruimte voor uitwisseling en kennisdeling op meer informele en gemeenschappelijke manieren, waarbij we tegenverhalen boden voor geschiedenissen die zich presenteren als enkelvoudig en exclusief.

Artistieke interventies
Op basis van ons onderzoek naar de instelling en haar ruimtelijke politiek lanceerden we een open call waarbij we uiteindelijk vier kunstenaars uitnodigden om interventies te doen in verschillende ruimtes op campus, als een opportuniteit om gezamenlijk institutionele, historische, infrastructurele en ruimtelijke hiërarchieën in vraag te stellen. In de loop van mei 2025 demonteerde Sanie Irsay de vergadertafel en tilden we samen het dode gewicht uit de kamer en naar de zolder erboven; Nikolay Karabinovych introduceerde een reeks collages en een gordijn, met de vraag: Heb ik het recht om hier te zijn?; en de kamer werd bedekt met kamerbreed tapijt en een verborgen map door Celine Aernoudt. Uiteindelijk openden we de vergaderruimte voor een publiek van studenten en medewerkers, om in de leeggehaalde kring van stoelen te zitten, iets te drinken en te ontdekken en bespreken wat er had plaatsgevonden. Later die avond vond in het Cirque-auditorium, een voormalig anatomisch theater, een performance plaats van Lázara Rosell Albear, als een 'dissectie' van de school en van haar ervaringen als studente daar jaren geleden, waarmee het project reflectief werd afgesloten.
De zolder en de vergaderzaal waren in het bijzonder interessant omdat ze doorgaans op fysieke en symbolische manier gesloten zijn voor studenten of buitenstaanders. Door in deze ruimtes te werken, zochten we naar een ingang en experimenteerden we met gebaren die voordien nog niet in of op de school geprobeerd werden. Op deze manier werden de interventies openingen en startpunten, momenten van dialoog en frictie. We transformeerden en herinterpreteerden ruimtes die gewoonlijk ontoegankelijk en rigide zijn.
Het project ontvouwde zich als een collaboratief en collectief proces – niet alleen tussen ons als curatoren, maar tussen iedereen die erbij betrokken raakte. Gesprekken met verschillende medewerkers gaven ons een initieel begrip van de architectuur en geschiedenis van de school, terwijl de structuur van het project en de selectie van interventies tot stand kwamen door dialoog tussen ons zessen. Bij ontmoetingen met de kunstenaars om hun werken voor te bereiden en later te installeren, werd elk moment een uitwisseling: hun perspectieven voegden vormen van kennis toe die niet in de institutionele archieven waren vastgelegd. Deze manier van werken heeft onze opkomende curatoriële praktijken en ons begrip van participatieve trajecten gevormd.


Over samenwerken
Gedurende het hele project stelden we onze positie in vraag als studenten in een eenjarig programma met weinig persoonlijke bekendheid met de school of de locatie, of empirische voorkennis. We vroegen ons af in hoeverre de instelling ons toebehoorde en in hoeverre we er kritiek op konden uiten. Maar door onze tijdelijkheid te erkennen – in plaats van deze als een beperking te zien – ontstond er een andere vorm van agency, niet gebaseerd op eigendom maar op aandacht, wederkerigheid en zorg. Het claimen van ruimte, zelfs tijdelijk, werd een manier om deze te herverdelen en op een andere manier terug te geven. Vergankelijkheid werd een integraal onderdeel van zowel het project als het begrip 'interventie'. Tegelijkertijd blijven we ons afvragen hoe we een evenwicht kunnen vinden tussen tijdelijke provocerende artistieke of curatoriële gebaren en een duurzame institutionele dialoog. Opnieuw wijzen de woorden van Chantal De Smet ons in de richting van dit evenwicht: een vertrek van vaste structuren van institutionele geschiedenis en identiteit, richting een meer reflexieve, poreuze manier van bestaan binnen institutionele ruimtes.

Ons collectief bracht een verscheidenheid aan identiteiten, achtergronden en levenservaringen samen: sommigen van ons hadden elders kunstonderwijs gevolgd, sommigen waren actief kunstenaar, anderen hadden eerder onderzoek gedaan naar toegankelijkheid en inclusie, de meesten van ons deelden al een interesse in hoe kunst buiten institutionele grenzen kan opereren. We hadden vaak uiteenlopende, soms uitgesproken meningen: of we uitsluitend met vrouwelijke of gemarginaliseerde identiteiten moesten werken; welke conceptuele of theoretische affiniteiten het belangrijkst waren; het gebruik van humor binnen de artistieke interventies; en hoe expliciet de politieke boodschap moest zijn. Het was waardevol om onze aannames en standpunten zo consequent ter discussie te stellen en onze verschillen uiteindelijk te beschouwen als een generatieve kracht in plaats van een obstakel. Het leerde ons om beter te luisteren – niet alleen naar elkaar, maar ook naar de school zelf, het decanaat en het personeel. We leerden met meer consideratie, nuance en respect te luisteren.
Het project, aanvankelijk ontstaan binnen een keuzevak van het postgraduaat, werd het begin van iets waarvan we hopen dat het langer zal voortduren en breder zal groeien. We zijn benieuwd hoe het zich verder zal ontwikkelen voorbij zijn startpunt in KASK & Conservatorium. Het heeft al een duidelijke stempel gedrukt op onze opkomende curatoriële praktijken: we vonden verbindingen tussen onszelf door onze gedeelde aandacht voor de ruimtes om ons heen, onze vragen over hoe we ons daarin bewegen, onze inspanningen om ons te verankeren binnen een instelling, en ons voortdurend bevragen van condities die anders vast lijken te liggen. Deze gedeelde bezorgdheden zetten een aantal van ons ertoe aan om op deze manier te blijven samenwerken. An Institution is not an Island zou zichzelf kunnen hervormen in reactie op nieuwe institutionele en ruimtelijke contexten, door vergeten ruimtes te blijven openen, nieuwe stemmen uit te nodigen en de hiërarchieën die verankerd zijn in de institutionele geschiedenis uit te dagen. Het potentieel ervan ligt in de verdere ontwikkeling als een collectieve reflectie – door anderen teruggewonnen, opnieuw vormgegeven en uitgebreid.
Literatuurlijst:
- Louis Cloquet (1849-1920): Architect tussen Monument en Stad, Patrick Goditiabois & Lieselotte Van De Capelle (2022)
- Geschiedenis der Zusters van de Bijloke te Gent, Zuster Agnes David & Jozef F.A. Walter’s (1929)
- De Wereld Verlaten: Uit het Geheugen van de Bijloke, Barbara Drieksens & Ann Cassiman (2002)
- Van Marissal tot Vlerick: 1751-1988, M. Werbrouck-Cools (1988)
- Hogeschool Gent 1748-1995, Chantal De Smet (2010)
- Choosing the Margin as a Space of Radical Openness, essay door bell hooks (1989)
- De productie van ruimte, Henri Lefebvre (1974)
- KASK 260, boekje voor tentoonstelling, gecureerd en geschreven door Liene Aerts (2011)
- Show Me Your Archive and I Will Tell You Who is in Power, boekje voor tentoonstelling gecureerd door Nataša Petrešin-Bachelez en Wim Waelput, boekje geschreven door Liene Aerts (2017)
- Ten Years KIOSK: Chantal De Smet, essay door Chantal De Smet (2020)
- Garden Happenings, onderzoeksproject en podcastserie door Laura Herman, Godart Bakkers, Birgit Cleppe en Bert De Roo (2021)
Over Politics of Space
An Institution is not an Island was het eerste project dat in het academiejaar 2024-2025 werd gerealiseerd door studenten curatorial studies in het kader van de jaarlijks terugkerende keuzevak Politics of Space onder begeleiding van Liene Aerts en Laura Herman. Pedagogische omgevingen worden gevormd door een geschiedenis van uitsluiting—van bepaalde verhalen, prestaties en vormen van kennis. Deze uitsluitingen komen tot uiting in infrastructuur, archiefbeheer, collectiebeleid, portretkunst, naamgevingspraktijken, enz. Hoe kunnen we kritisch omgaan met de ruimtes waar we (af)leren? Hoe kunnen we onze leeromgevingen herkaderen, hernoemen en herontwerpen, in navolging van Sara Ahmeds begrip ‘desoriëntatie en heroriëntatie’?
Politics of Space is een denkoefening: als onze infrastructuur – en dus de gezichten en inhoud die we eraan geven – een weerspiegeling zijn van wie we zijn, wie zijn we dan?
Politics of Space is een praktische oefening: als langetermijnproject hopen we dat de resultaten zullen leiden tot een groeiend archief, een reeks interventies die verschillende vormen kunnen aannemen.
Deze tekst is dan ook de eerste in een reeks geschreven reflecties, retrospectieve artikelen, interviews en archiefonderzoek dat zich richt op de school als instelling, als infrastructuur, als gemeenschap van mensen, als een geleefd en levend lichaam waarvan we allemaal deel uitmaken en waar we daarom zorg voor moeten dragen.










